203
mens, houd je gezicht, mijn vrouw zal dragen wat ik vind, dat haar staat. Neen, zegt u nu zelf, mevrouw van Vliet?”
„Hij is natuurlijk helemaal niet mee geweest,” lachte Jet, Tom kennend.
„O, ja,” zei Toet. „Hij heeft zitten slapen, zei hij, maar nu blijkt toch, dat hij een van de verkooptermen heeft afgeluisterd.”
Mevrouw, die eerst een beetje onwennig had gestaan tegenover het drukke, ongedwongen gepraat om haar heen, begon zich goed te amuseren en ze nam met genoegen waar, hoe gemakkelijk haar zoon zich bij die vrolijke jongelui aanpaste.
„Hoe gaat het met de kokerel, Toet?” vroeg Bea.
„Zalig!” klakte Tom met zijn tong. „We eten iedere dag Nassi goreng en pisang goreng en katjang goreng! rrrrreuze lekkerrrrr! allemaal kostjes, die Toet waarlijk voortreffelijk weet te koken. Je moet eens gauw komen happen, Beatrice. Komen jullie allemaal, zó als we hier zitten, reuze leuk, zeg! Toet, hebben we bestek genoeg? anders brengt ieder z’n eigen couvert maar mee. Juist leuk, in-bohême, hè Beatrice?”
„Hij heeft het weer te pakken, Toet,” plaagde Bea. „Tijden lang heeft hij zich behoorlijk weten te gedragen, maar nu is het hek weer van de dam. Wat moet mevrouw van Vliet wel van je denken, Tom!”
„Die vind me aardig, ik zie het aan haar hele gezicht.”
„Ik vind, dat je weinig waardig doet voor een gehuwde man,” zei Jet.
„Ik spring uit de band! merk je dat niet? komt meer voor bij mannen, die het huwelijksjuk torsen.”
„Waar woont u?” vroeg mevrouw van Vliet belangstellend.
„Waar mensen met een bescheiden inkomen en die toch stand willen ophouden, gemeenlijk wonen: in plan Zuid!” lachte Tom. „O, een allergenoegelijkste flat, mevrouw, van