202
nen hebben, zodra er iets goeds van hun sekse-genoten gezegd wordt.”
„Is dat niet Reynolds, de schilder, die daar links van hem zit?” vroeg Jet.
„Ja,” lachte Bea. „De man van wie verteld wordt, dat hij er zijn fort van maakt, om in de meest chique gelegenheden te gaan dineren en de kippenkluifjes over zijn hoofd de zaal in te gooien.”
„Vreselijk!” ergerde mevrouw zich. „Dergelijke mensen moesten niet toegelaten worden in een zaal waar beschaafd publiek zit.”
„Och, een beetje gewild bohème,” vond Reindert. „In ieder geval is het werk van Reynolds subliem.”
„Daar is Rienstra!” riep Jet en ze schikte een eindje op, om plaats voor hem te maken.
„En kijk eens wie achter hem lopen!” riep Bea verheugd. „T & T! hoe komen die hier verzeild?”
„Wie zijn T & T?” vroeg mevrouw.
Maar Reindert had al eens eerder kennis met hen gemaakt en toen ze langs hun tafeltje kwamen, inviteerde hij ze om bij hun te komen zitten en stelde hun zijn moeder voor.
„Wat een gezellige kring,” zei doodvergenoegd Tom, toen ook Rienstra zich bij hun neer had gezet. „Dat doet me aan lang vervlogen dagen denken,” zuchtte hij. „Ja, mevrouw van Vliet,” deed de jong getrouwde man tragisch, „dat was in de goeie tijd, nu mag ik alleen maar mee naar een café als mijn ega er zin in heeft.”
„Wat ziet die vrouw van jou er patent uit! heb jij dat hoedje met haar uitgezocht?” vroeg Bea.
„Natuurlijk!” Tom’s gezicht was een en al zelfgenoegzaamheid. „Erg geslaagd, vind je niet? ik zeg tegen de juffrouw, juffrouw, zeg ik, mijn vrouw moet een hoedje in het gezicht hebben. Hé, meneer,” miauwt de juffrouw, „uw vrouw heeft net een gezicht voor uit het gezicht! ik denk: