197
„Ze moest het weten, dat mevrouw van Vliet omgedraaid is als een blad aan een boom en stille wensen koestert, dat haar jongen zal gaan trouwen en zij het nog mag beleven. Dat haar gedachten hierbij naar Bea uitgaan, daar zou ik op durven zweren. Tenslotte heeft van Heusden’s Houthandel, zoals ik haar dat laatst te slikken gaf, toch indruk gemaakt en het is een feit, dat Bea tijdens de ziekte van mevrouw haar hart volkomen heeft gestolen. En Reindert? ik zou hem bijna de raad willen geven, Bea minder verliefd aan te kijken, want iedereen moet het wel opletten en het verwondert me hogelijk, dat Bea het zelf nog niet in de gaten heeft. Ik hoop van harte, dat Béetje ook van hem gaat houden, want hij lijkt me een man, die een vrouw gelukkig kan maken. Als ie nou maar niet te hard van stapel gaat lopen en Bé langzaam tracht te winnen.”
Jet liet het verstelwerk waar ze mee bezig was in haar schoot zinken! en peinsde verder, hoe het zijn zou, als Bé, aan wie ze zich zo sterk had gehecht, weg zou zijn.
„Ik zal er aan moeten wennen, zoals aan zoveel in mijn leven, wat minder prettig is. Maar ik zou geen andere compagnon nemen, want maar zelden is de samenwerking zó vlot, als die bij ons is. Geen zorgen voor de tijd, Jetje, de dingen komen zoals ze komen moeten en ik moet geen oude piekeraarster worden.”