196
Mevrouw van Vliet was de laatste van de vier zieken, die opstond en toen pas kon men het haar goed aanzien hoe ziek ze was geweest. Jet had paf gestaan toen ze hoorde en zag, wat Bea die dagen allemaal gepresteerd had.
„Maar zonder de medewerking van onze twee mannelijke pensiongasten was ik er zeker niet gekomen,” zei ze.
Reindert had een apartje met Jet om haar te bewegen, de werkster nog een poosje aan te houden.
„In ons aller belang, juffrouw Molenaar. U is nog geen held, Geert ziet nog witjes om haar neus en juffrouw van Heusden heeft wel wat rust verdiend. Neen, u mag niet tegen stribbelen. U moet me het genoegen laten voor de algehele rust en beterschap van Pension Molenaar te zorgen.”
Jet gaf toe, want ze voelde zich inderdaad nog niet sterk en ze gunde het Bea zo graag even helemaal op rust te komen na al die zware dagen.
„Hoe je het allemaal voor elkaar gebokst hebt is mij nog steeds een raadsel,” beweerde Jet voor de zoveelste maal, toen ze met Bea het vriendelijk aanbod van Reindert besprak.
„Je mot maar motten!” lachte Bea, een voortreffelijke imitatie van Geert ten beste gevend.
„En je hebt het hart gestolen van mevrouw van Vliet. Hele lofzangen krijg ik te horen.”
„Zo lang als het duurt,” zei Bea weinig hoopvol. „Ze is nu nog zwakjes en haar hart is daardoor vertederd, maar ik maak me er niets geen illusies van. Denk je, dat ze het zal blijven goed vinden, dat haar zoon zo vol attenties en zo zorgzaam voor de pensionjuffies is?”
Op Jet’s gelaat lag een geheimzinnig lachje, maar het ontging Bea. En terwijl Bea de planten water gaf en voortging alle kleine dingen te doen, die Jet anders misschien zelf zou doen, gingen Jet’s blikken met moederlijke tederheid over Bea’s fijne gestalte.