195
idee, dat zijn moeder over zijn huwelijk dacht. Het leek hem een goed voorteken.
„U kunt me geloven, moedertje,” zei hij hartelijk, „er is niet het minste gevaar bij uw ongesteldheid en wat dat andere betreft... u zult oud genoeg worden om uw zoon getrouwd te zien en grootmoeder te worden. Nou, geeft u me maar een zoen en gaat u dan rustig slapen.”
Toen Reindert in de zitkamer terug kwam, nam hij het boek op, dat hij klaar had gelegd om te lezen, maar hij lei het opengeslagen voor zich op tafel. Het lamplicht bescheen zijn fijn aristocratisch gezicht, de lange, blanke handen.
Reindert van Vliet was een absoluut knappe man en het enige, wat zijn gezicht ontsierd had, het iets te weke, het weinig mannelijke, was juist de laatste tijd weggevallen en had plaats gemaakt voor een uitdrukking van wilskracht, waardoor het eerlijke, opene, dat er altijd in was geweest, beter naar voren kwam.
De slanke hand speelde met de bladen van het boek.
„Moeder, die hoopt op een schoondochter,” dacht hij. „Eigenaardig! En wat een samenloop van omstandigheden, dat moeder ziek moest worden, om Bea te leren waarderen en behoefte gaat voelen aan een vrouw voor haar zoon. Zou ze onbewust voelen, dat het Bea moet zijn en geen ander?” de hand woelde door het weelderige, blonde haar. „En Bea, die misschien in de verste verte niet aan mij denkt, die spottend of hooghartig zou lachen, als ze dacht aan een verbintenis met mij! ” weer pakte hij het boek op, probeerde te lezen, maar tussen de regels gluurde Bea’s pikant kopje met de donkere ogen, de fijn gelijnde mond.
Hij sloeg het boek ten tweede male dicht.
„Ik moet niet teveel opeens willen,” vermaande hij zichzelf. „We zijn in ieder geval op de goeie weg en ik sta er heel wat beter voor, dan toen we hier kwamen. Moeder moet de onbewuste tussenpersoon zijn en ik zal er voor zorgen, dat het contact tussen haar en Bea blijft bestaan.”