192
Maar Jet, die zich werkelijk wat beter begon te voelen, vond het allesbehalve prettig, dat Bea aanstalten maakte om weg te gaan.
„Heb je nog een boel te doen?” vroeg ze.
„Neen, niet zo bar veel. Als je zoet bent, kruip ik vanavond vroeg in 'bed. Tegen tien uur kun je me verwachten, dame, wees dan nu ook braaf.”
Er werd gebeld en Bea had een mooi motief om naar beneden te gaan.
„Maakt Geert dan niet open?” vroeg Jet verbaasd.
„Die heeft toch haar uit-avond, bemoeial!”
„Straks rekent ze nog uit, dat het Geert’s vrije avond niet kan zijn,” dacht Bea en ze spoedde zich naar beneden, vóór Jet met een nieuwe vraag op de proppen kon komen.
„Moet dat allemaal hier zijn?” vroeg ze, toen een loopjongen vier bakjes met fruit en nog een pakje af gaf.
De jongen verzekerde, dat hij alles moest afgeven en dat er een briefje bij was.
Bea maakte, nadat ze de bakjes met fruit had neergezet, het briefje open.
„Voor vier zieken en hun verpleegster,” las ze en het pakje open makend, vond ze er een heerlijke doos bonbons in.
„Van Reindert, ik herken zijn hand,” zei ze verrast. „Reuze aardig van hem! Wat zal Ma van zo’n attensje zeggen?”
Even later kwam Reindert terug met de blijde boodschap, dat de werkster deze week geheel voor Bea beschikbaar had.
„Dan heeft ui de boodschap niet goed overgebracht,” zei Bea, die bang was voor te hoge onkosten.
„Ik vind, dat ik in deze kwestie een woordje mee mag praten. U begrijpt toch, dat die werkster voor onze rekening is. Trekt u nu niet zo’n beledigd gezicht, een verpleegster had heel wat meer gekost.”
„En dan nog al dat fruit,” knorde Bea. „Van de zalige