igo
een ander zeggen, anders krijg ik heus minderwaardigheidscomplexen.”
„U zult uw zin hebben,” gaf Bea toe. „Ik laat de kousen dan maar voor wat ze zijn en kruip vroeg in ’t mandje. Eerlijk gezegd, heb ik er best zin in.”
„U voelt u toch wel goed?” vroeg angstig Reindert.
„Als kip,” lachte ze. „Alleen maar een zeer normale vermoeidheid en slaap.”
„Ik zal op antwoord wachten bij uw werkster en weet ze nog een ander adres, dan steven ik daar ook op af.”
„O kaai, zou Geert zeggen.”
Toen hij weg was, keek Bea nog even om het hoekje bij mevrouw van Vliet zag, dat ze rustig sliep en ging dan naar de verschillende zieken. Tot haar grote vreugde was er beterschap te bespeuren bij „Nichtje” zoals Jet en zij Rita Rienstra altijd noemden en moest Bea haar temperen, toen ze sprak van morgen een uurtje uit bed te komen.
„Geen denken aan, en dan zeker overmorgen weer koorts. Niets er van, brave juffer, u blijft zoet in het mandje en wacht, tot uw esculaap u permissie geeft het te verlaten.”
Geert was „te ziek, dat ze keek” en bliefde weer niets. Bea legde haar een compres met Eau de Cologne op haar warm hoofd, bolde de kussens op en zei, dat ze nog een paar vervelende dagen zou hebben, maar dan net als juffrouw Rienstra nu, zich weer veel beter zou gaan voelen.
„Ja, maar alles is niet hetzelfde,” zei Geert, die vond, dat Bea haar ziekte miskende.
„Natuurlijk niet, maar het is zo het gewone verloop van de griep. Ik dacht, dat je je ongerust maakte, daarom zei ik dat. Nou, meissie, ga maar weer lekker slapen, dat is toch maar het beste voor je. Vandaag zal ik nog medelijden met je hebben, maar morgen moet je wat eten, anders val je van de graat.”
Geert knikte, maar vóór Bea de deur uit was, sliep ze alweer.