i87
hebben daar een verwarmend grocje verschalkt en gezellig bomend, gewacht tot er een taxi te krijgen was. Rienstra is een genoegelijke prater en na die tijd hebben we vaak samen een biertje gepakt. Ook hij heeft meegewerkt aan mijn, laten we zeggen, ontbolstering en wat u misschien niet weet, hij is af en toe eens bij moeder komen oplopen en heeft zo langs zijn neus weg dingen gezegd, die haar tot nadenken schijnen gebracht te hebben.”
„Die dierbare, lichte gleufhoed!” liet Bea zich ontvallen. „Hij heeft ons toch ook gered, door zijn nichtje hier te brengen. Net, toen we er zo over inzaten, dat we de grote kamer niet zouden verhuren.”
„Waarom noemt u hem de lichte gleufhoed?” verwonderde Reindert zich. Bea schaamde zich diep. Goed, dat Jet het niet hoorde, dacht ze. Hoe kwam ze ook zo stom, om zoiets te zeggen tegen een mede-huurder!
„We zijn met al onze allures van pensionhoudsters eigenlijk nog echte bakvissen,” zei ze dan schuldbewust. „Toen meneer Rienstra zijn entrée bij ons maakte, met die daverende lichte gleufhoed op, werd hij door mij — want Jet, ik bedoel juffrouw Molenaar is niet half zo’n spotster als ik —direct gedoopt als „dè lichte gleufhoed.” U zult het wel erg kinderachtig vinden en daarbij nog ongepast ook, maar gelooft u me, er is geen haar kwaad bij en meneer Rienstra wordt door ons allebei in hoge mate gewaardeerd.”
Reindert genoot in stilte van haar berouwvol gezicht en dacht, dat hij niet wist, wat hij meer bewonderde, een hooghartige Bea of een berouwvolle.
Toen werd er gebeld en hij wilde zich onmiddellijk naar de deur begeven, maar Bea was hem voor en zei, dat ze het al erg genoeg vond, dat hij haar zo met alles hielp en ze dit alleen kon aanvaarden, als het binnen de muren van het paleis bleef. Ze holde hem dus gauw vooruit naar de straatdeur.