184
Geert, bij wie ze haar tweede kop bouillon bracht, lag met rode wangen heen en weer te woelen en steunde, dat ze niets bliefde.
„Ik heb geen succes met mijn bouillon,” dacht Bea en toog met kop drie naar mevrouw van Vliet.
Die is het ziekst van de vier! Ze luisterde verschrikt naar de korte, gejaagde ademhaling.
Mevrouw wenkte, dat ze geen trek had in bouillon.
„Kan ik u iets anders brengen?” vroeg Bea, terwijl ze mevrouw wat omhoog trok en de kussens nog eens opbolde.
„Ik heb zo’n pijn in mijn borst,” klaagde mevrouw. „Het zal toch niets ernstigs zijn?” Haar ogen keken Bea angstig aan.
„Welneen, mevrouw, dat heeft iedereen, die griep heeft,” troostte Bea haar. „Gelukkig hoest u er niet bij. Die arme juffrouw Jet hoest dag en nacht.”
„Maar ze heeft geen borstpijn,” hield mevrouw aan.
„Is dokter vandaag niet geweest?” vroeg Bea, die zag, hoe ongerust mevrouw zich maakte.
„Die zou morgen pas komen,” zuchtte mevrouw. „Maar ik ben vandaag veel erger dan gisteren.”
„Ik geef dokter straks een belletje of hij nog even komt kijken. Misschien kan hij u iets geven tegen die pijn op de borst,” beloofde Bea.
„U is lief,” zei dankbaar mevrouw van Vliet, en Bea, terwijl ze naar boven liep, dacht: „Dat heb je ook niet altijd gezegd, mevrouwtje!”
„Is u ongerust over moeder?” vroeg Reindert, toen hij thuiskomend, hoorde, dat Bea dokter had opgebeld.
„Uw moeder maakte zich ongerust en dat is niet goed,” ontweek Bea zijn vraag.
„U is erg lief voor haar,” zei Reindert dankbaar.
„Dat zou iedereen toch zijn, stel je voor! Ik hoop maar, dat dokter niet zo laat komt en hij uw moeder vóór de nacht iets kalmerends geeft.”