179
„Erg vriendelijk,” zei Bea. „Meneer Rienstra heeft me ook al zijn hulp aangeboden en ik heb hem gevraagd met de kokerel te willen helpen.”
„En heeft hij het gedaan?” vroeg van Vliet geamuseerd. „Het was nog niet nodig, maar nu er weer een zieke bij komt...! neen maar het is heus nog niet nodig.”
„Zult u u niet te moe maken, juffrouw van Heusden?”
Er was een warme klank in zijn stem, die Bea goed deed. En terwijl ze naar de keuken liep, dacht ze, dat Reindert heus een heel geschikte baas werd, nu hij die maanden zijn vrijheid had weten te handhaven.
„Zélfs zijn kleren en dassen zijn er op vooruitgegaan,” dacht ze. Toen hij weg was — eerder leek haar niet raadzaam — schoon Ma van Vliet de laatste tijd hebbelijker tegen haar werd — klopte ze bij mevrouw van Vliet aan.
„Kan ik ook iets voor u doen?” vroeg ze vriendelijk, terwijl ze zich over het bed boog waarin mevrouw lag.
„Ik heb zo’n vreselijke dorst,” klaagde mevrouw en haar stem had een schorre klank.
„Ik zal u gauw een sinaasappelkwast maken,” zei Bea en ze holde naar de keuken.
„Hemeltje, Geert, nu is mevrouw van Vliet ook al ziek! Zeg alsjeblieft niets aan juffrouw Jet, want ze is in staat haar bed uit te komen en ze is te ziek, dat ze opkijkt.”
„Ik voel me eige ook zo beroerd!” zei Geert.
„O, mens, houd op!” riep in wanhoop Bea.
„Nou, ja, ik zal me eige wel zo lang mogelijk zien op te houwe, maar me oge rolle kepleet door me hoofd.”
„Geef alles vandaag maar een veeg en drink flink sinaasappelkwast,” ried Bea, die gewoon kippetjesvel kreeg bij het idee, dat de laatste hulp haar ook zou ontvallen.
„Ik kan geen eten of drinken zien,” rilde Geert en Bea dacht, dat het dan wel heel erg met Geert moest zijn, want die had gemeenlijk een overgezonde eetlust.