Het was einde November, een koude, natte November-maand, die de mensen deed hoesten en niezen en de gevreesde vijand, de griep, een kans gaf zijn slag te slaan.
Jet, die vroeg op was om voor het ontbijt te zorgen, had — iets, wat ze nooit deed — een wollen jasje over haar huishoud jas gedaan en liep rillend door het huis.
,^Ben u niet goed, juffrouw Jet?” vroeg Geert. „U ziet zo wit om uw neus.”
„Neen, ik voel me niks lekker,” gaf Jet toe en Geert dacht: „Allemachies, dan moet het erg zijn, want juffrouw Jet klaagt nooit.”
Bea, die de bedden had afgehaald kwam met het bericht, dat het nichtje van meneer Rienstra zich niet goed voelde en in bed 'bleef.
„Ook al!” riep Geert uit.
„Wie dan nog meer?” vroeg Bea.
„Hier de juffrouw,” zei Geert, wijzend op Jet.
„Och, zó erg is het niet,” trachtte Jet gerust te stellen, maar ze keek zó flauw uit haar ogen, dat Bea haar beval direct te temperaturen.
„Ik denk er niet aan,” knorde Jet. „Maak alsjeblieft niet zo’n drukte van een beetje hoofdpijn.”
Maar Bea haalde de thermometer en dwong haar deze aan te leggen.
„Alsjeblieft,” zei ze, toen ze de thermometer controleerde. „Je moet nodig zeggen, dat het niets is, als je ’s morgens vroeg al 38.7 hebt. Vooruit, naar je bed en gauw! Misschien knap je wat op als je geslapen hebt.”
Jet, die zich hoe langer hoe vervelender begon te voelen, deed toch nog moeite om zich op te houden.