173
zet je schrap en denkt maar steeds aan de fijne tijd, die je tegemoet gaat en zorg er voor, dat die dikzak van je niets tekort komt.”
„Zal gebeuren, kolonel!” beloofde Toet en haar Tom was voor de zoveelste maal dankbaar, dat hij met Toet naar Bea en Jet was gegaan, die toch altijd het beste van allemaal in staat waren haar weer op te wekken. Toen de beide meisjes die avond in bed lagen en nog even na babbelden, vroeg Jet: „Vertel me eens, Bé, waarom je zo snibbig tegen Til was? het interesseert me dit te weten.”
„Ik zou het je zo graag willen zeggen,” zei Bea zacht. „Maar het gekke van het geval is, dat ik het zelf niet weet en me er net zo hard over verwonder als jij. Het vrouwenhart heeft rare kronkelingen* Jetteke! het is een feit, dat van het moment waarop Els zo plotseling vertelde van de roman van het tweetal, er een wrevelig gevoel in mijn hart kwam en ik kan je toch de verzekering geven, dat ik niets om Henk geef — buiten het gevoel van kalme genegenheid, dat ik altijd voor hem had. En toch is het nu net of Til me iets ontnomen heeft, dat haar niet toekomt. Wat is een vrouw een raar wezen! Zou het gekrenkte ijdelheid zijn? heb ik me misschien verbeeld, dat er geen ander in zijn hart zou kunnen komen? wie zal het zeggen? in ieder geval zal ik me in het vervolg beter zien te beheersen, want ik wil tot geen prijs, dat Til zou denken, dat ik jaloers op haar ben.” „Dat ben je immers ook niet,” haastte Jet zich te zeggen. „Je ziet het zelf, denk ik, heel goed in, het zal inderdaad gekwetste ijdelheid zijn.”
„En vergeet niet, dat Til werkelijk wee deed,” lachte Bea.
„Ze was zelf misschien verlegen met haar figuur,” veronderstelde Jet.
„Denk jij, dat het een geschikt paar is?” vroeg Bea.
„Ach, daar valt zo weinig van te zeggen, de tijd zal het leren. Het lijkt me in ieder geval niet kwaad, dat Henk