172
„Straks zullen we de ruzie hoog horen oplaaien,” en ze vertelde T & T de gebeurtenissen van die middag.
„Dat is niet mis,” vond Tom. „Hoe is dat jonge mens aan zulke wufte ideeën gekomen? en zo opeens! daar moet iets achter steken. Ik zal me daar eens mee 'bezig moeten houden. Ik mag zoiets wel! Houd eens stil, ik hoor huilen!” „Dat is de hond van onze buren,” lachte Jet.
„Jammer, ik was graag naar boven gesneld om die frigi-daire, zoals Bé zegt, te helpen ontdooien. Zo’n arme drommel, die Reindert, om zo gedrild te worden door „se Ma!” wat hebben wij dan toch beste moeders, hè, Toeteke? want sinds Maatje aan de bridge geslagen is, hebben we geen kind aan haar. Leve Helena, die dit wonder tot stand heeft gebracht.”
„Had ze het maar wat eerder gedaan,” zei Toet weemoedig.
„Dat had toch niets gegeven, want je Vader had het toch heus niet zo prettig gevonden, als ze iedere avond van huis was gegaan. Je moet de dingen altijd in de juiste verhoudingen zien, Toet en dat laat je wel eens na en piekert door over dingen, die in je verbeelding bestaan.”
„Goed zo, Tom, zo mag ik het horen,” stemde Bea in. „Zulke taal heeft ze af en toe wel nodig.”
„Rammen jullie me maar vaak door elkaar,” zei Toet deemoedig. „Er zijn dagen, dat ik zo down en zo vervelend ben, dat het voor die arme Tom niet om te harden moet zijn. Ik kan niet los komen van al wat er de laatste tijd gebeurd is.” „Ik ook niet,” gaf Bea toe. „En al is het voor jou natuurlijk veel erger, het gemis veel zwaarder, de herinnering aan al het droeve is toch voor ons allebei even erg. Maar ik heb geprobeerd me er over heen te zetten en gelukkig bijtijds bedacht, dat Jet iets beters aan me verdient, dan tegen zo’n treurwilg op te kijken. Als je zoiets maar stevig door zet, dan ben je je zenuwen ook gauw de baas. Dus, Toeterd, je