169
van Bé,” zei Jet langzaam. „En jij hebt gedacht: hoe het loopt, loopt het, maar ik moet er voor zorgen, dat Henk haar niet meer spreekt vóór zijn vertrek. Nu, je hebt je doel goed bereikt en je bent ook keurig bezig, de vriendschapsband, die er was tussen Henk en ons allen, erg los te maken. Was er liever rond voor uitgekomen, dat was eerlijker geweest, maar dat kon je zelfs niet tegenover Henk en dus moest het geschoven worden op kiesheid tegenover Bé. Ik kan me niet voorstellen, dat Henk zich hierdoor heeft laten vangen. Hij moet wel erg verliefd zijn, om zo klakkeloos aan te nemen wat jij zegt. Niemand beter dan hij, kan weten hoe onverschillig het Bé moest laten. Nou, je kunt je Henkie voor jou alleen houden, we zullen je hem niet afhandig maken.”
„Misselijk flauw!” Til wist niets anders te zeggen, nu Jet zo de spijker op de kop sloeg. „Ik ga maar weg,” zei ze dan. „Jullie moogt voor mijn part geloven wat je wilt.”
„Zo,” dacht Jet, toen de huisdeur achter Til dichtsloeg, „dat heb ik haar netjes gezegd en dat ik het bij het rechte eind had,bewijst haar flauw verweer.”
Toen ging ze naar boven en voegde zich bij de anderen, die in een druk gesprek gewikkeld waren.
„Zeg, Jet,” riep Bea. „Kom ons eens gauw te hulp. Die blagen wensen te weten hoeveel huishoudgeld ze ongeveer nodig zullen hebben. Ik heb het zo’n beetje getaxeerd, maar ik ben geen expert op dit gebied.”
„Gaat het er dan nu van komen? mooi zo! en wanneer zal het zijn?”
„Over twee maanden,” zei Toet blij. „Het moet alles heel eenvoudig zijn, want Tom heeft voorlopig geen kans op iets beters en we zullen leven van wat hij verdient en van de rente, die we van het kapitaal van het goede Vadertje hebben. Ik denk, dat we er heel best van kunnen komen, als we maar geen kromme sprongen maken.”
„En dat zijn we niet van plan,” verzekerde Tom, die er