i66
Het was even een genoegelijk roddeltje tussen het drietal, toen Bea vertelde van Reindert’s uitspattingen en de opgebloeide jeugdvriendschap van Til.
„Een hele foute bedoening,” vond Tom, toen hij hoorde van de verloving van Til en Henk. „Zijn absoluut geen mensen voor elkaar. Wat bezielt die Henk? Is er niemand, die hem dit afgeraden heeft? hoe komt dat jong zo stapel?”
„Zó erg is het nu niet,” vond Toet.
„Ga weg! Til is een treurwilg! ”
„Dat zou je nu niet zeggen,” lachte Bea. „Ze straalt aan alle kanten en leeft gewoon in hoger sferen!”
„Dat moet ik meemaken,” zei Tom geanimeerd. „Vooruit, naar boven, vrouwen!”
„Tom, geen plagerijen!” waarschuwde Toet, die hem kende.
„Halloh!” deed Tom luidruchtig, toen ze boven waren en Toet’s hand schuddend: „van harte, meid! voor jou en je Kloris!”
„Hoe weet je het?” vroeg Til, die geen idee had, dat Bea het zo gauw verteld had.
„Menslief, de mossen schreeuwen het gewoon van de daken! waar ik ga en waar ik kom, overal hoor ik: Til is verloofd! Henk is verloofd! ja, meissie, je woont in een grote stad! en al deden jullie nog zoveel moeite het sweet secret stil te houden — zeg, waarvoor eigenlijk? toen ik me indertijd verloofde heb ik er gewoon mee te koop gelopen! wil je geloven, dat ik blij was, als ik weer een sjappie tegen kwam, die ik het vertellen kon? en de hele dag schnitt ik het in alle Rinden ein. Ik ben erg poëtisch aangelegen! hebben jullie nog thee, Jet?”
„Nog kanalen,” lachte Jet, die zich schoon amuseerde met Tom’s nonsens.
„Enigjes,” deed Tom overdreven. „Gewoon enigjes, jullie en wij allebei in de huwelijksschuit! hebben jullie al een huis? we moesten eigenlijk samen gaan wonen, dan heb je