165
„Neen, we zijn niet bekend met onze collega’s,” lachte Jet. „Maar als ik je een goede raad mag geven, laat je moeder dan rustig in haar huis en probeer of je iemand kunt vinden, die bij haar in komt wonen en zoeken jullie een andere woning.”
„Het zal zo’n teleurstelling voor Henk zijn,” tobde Til. „O, daar zal hij wel over heen komen,” zei Bea sarcastisch. „Je moet niet zo de onderdanige vrouw spelen, die alleen maar dat doet wat manlief wil! ”
„Dat is jouw opvatting. Jij hebt waarschijnlijk altijd het beste deel voor jezelf genomen,” snibde Til.
„In ieder geval lijkt het me hier toch verstandiger, dat jonge mensen zich opofferen, Til.” Jet zei het een beetje kort. „Eigenlijk is er geen sprake van opofferen, Til. Jullie gaat een heerlijke tijd tegemoet en het moet toch wel enig voor je zijn, het nestje helemaal zelf op te bouwen. Wèl zo aardig, als in een woning te blijven, die helemaal niet nieuw voor jullie is.”
„Maar waar we het geluk gevonden hebben,” dweepte Til. „Jet, heb je misschien nog haring in huis?” spotte Bea. „Ik heb zo’n flauwe smaak in m’n mond.”
Maar Til begreep het niet en vroeg langgerekt: „Ha-ring? wie heeft er nu opeens trek in ha-ring?”
„Daar komen T & T aangewandeld!” riep Bea en het klonk als een verademing. Ze holde naar de deur en riep ze vrolijk toe:
„Kom boven! jullie komt als een verfrissende regenbui na veertien dagen drukkend weer!”
„Is het zo erg met de huurlingen?” fluisterde Toet met een zijdelingse blik naar de kamers van mevrouw van Vliet.
„Nou,” proestte Bea. „Daar is het onweer al geweest, maar helemaal schoon gewaaid is de lucht nog niet.”
„Wat spreekt ge in meteorologische stijl,” verbaasde Tom zich. „Verklaar u nader.”