162
„Zie jij er geweldig uit!” begroette Bea haar en Jet plaagde: „Heb je de honderdduizend getrokken?”
„Misschien wel,” deed Til geheimzinnig en het wekte plotseling Bea’s ergernis op.
„Ze hoeft niet zo demonstratief te doen,” dacht ze en het volgend ogenblik was ze nijdig op zichzelf, omdat het haar ergernis had opgewekt.
„Ik kom eigenlijk met een vraag,” zei Til.
„Laat horen,” animeerde Jet.
„Moeder heeft het plan opgevat, op kamers te gaan wonen en nu wil ze weten of er bij jullie plaats is.”
„En jij dan?” vroeg hogelijk verbaasd Bea.
„Ik ga trouwen!”
„Neen!” klonk het als uit één mond.
„Ja!” lachte Til. „We hadden ons voorgenomen er niemand iets van te zeggen, tot Henk weer met verlof kwam, maar vlak voor hij weg ging, zei hij op zijn korte manier: „Maak jij nou alles in orde, want ik heb de mier gezien aan een verloving met festijnen en als ik dan terug kom, trouwen we meteen.”
„Hoogst modern,” zei Jet a la mevrouw van Vliet en Bea, een beetje spottend, vroeg: „Was het niet aardiger geweest, als je er je oude vrienden iets van gezegd had, dan zou je nu niet zo met de deur in huis gevallen zijn. Misschien is dit óók stijl Henk!”
Til friemelde hevig aan de franje’s van het tafelkleed, een oude gewoonte van haar als ze zenuwachtig was.
„Els had jullie er toch zeker al iets van gezegd? en we dachten... we vonden... nou, ja, er was altijd een stevige band tussen ons, maar we hebben niet geweten, dat onze grote jeugdvriendschap zou bloeien tot een waarachtige liefde.”
„Houd vast!” riep Bea en haar stem klonk wat schril. „Een prachtige zin voor een roman! Een opgebloeide jeugdvriendschap! ik vind jullie roman buitengewoon, maar veel