159
„Ja, mevrouw,” probeerde Jet te schertsen. „Als kleine kinderen groot worden ....” Maar het viel niet in goede aarde.
„Mijn jongen is niet één van die moderne nietsnutten, waarvan de wereld helaas, overvol is,” klonk het stroef.
„Daar hoeft uw zoon niet hyper-modern voor te zijn, om een avond alleen uit te gaan,” zei Jet en ze voelde, dat haar moed begon te wassen. „U is op dat punt zo weinig gewend, mevrouw van Vliet. Het heeft me al sterk verwonderd, dat uw zoon geen vrienden heeft en nooit uit gaat. Een man van zijn leeftijd wil toch wel eens met vrienden uit.”
„Ja, ja, dat is zoals de moderne jeugd spreekt. Ik was zo dankbaar, dat mijn jongen anders was en er wèl behagen in schepte om altijd samen met zijn moeder te zijn. Welke duivel zo opeens in hem gevaren is, ik weet het niet. Het moet toch iemand zijn, die hem tot deze afschuwelijke moderniteit overgehaald heeft. Maar wie? ik héb even gedacht aan plotselinge verstandsverbijstering, zoiets komt meer voor, maar hij was te kalm, te normaal voor zoiets. Wat dunkt u, juffrouw Molenaar? u is een verstandig meisje en niet zo hinderlijk modem. Wie kan hem zo plotseling veranderd hebben?”
„Waarschijnlijk is deze verandering niet zo plotseling gekomen als u wel denkt,” veronderstelde Jet. „Uw zoon heeft er misschien al tijden lang over gedacht en een gelegenheid gezocht u er langzaam op voor te bereiden, dat hij ... ja, hoe zal ik het zeggen... dat hij nu eens vrij wil zijn, een man zijn, die zijn eigen genoegens zoekt en niet altijd ...”
„Zegt u het maar gerust.” Mevrouw zette zich rechter op nog in haar stoel en haar stem klonk schel. „U voelt het helemaal met hem mee en vindt me een egoïste, omdat ik zo geheel beslag op mijn zoon legde. Nu,” de kin stak dapper boven het guimpje uit, „van mij zal hij geen last meer hebben. Hij mag voor mijn part uitgaan met wie hij wil en zo laat thuis komen als hem aanstaat. Ach, zijn goede Vader