158
heeft met het tafel dekken van juffrouw van Heusden.” „Is dat meisje, die juffrouw van Heusden, óók uit?”
„Die vraag is werkelijk een belediging, mevrouw van VHet.”
„Ah! u ontwijkt de vraag!” triomfeerde mevrouw. „Juffrouw van Heusden is thuis en daar u dit waarschijnlijk niet gelooft, zal ik haar even bij u laten komen.”
„Volstrekt niet,” weerde mevrouw af, nu ze op dat punt gerustgesteld scheen.
„Ik hoop, dat u het mij niet ten kwade zult duiden,” zei Jet vormelijk, „als ik u zal moeten verzoeken mijn vriendin in het vervolg te willen verschonen van dergelijke verdachtmakingen. Dit gaat werkelijk te ver, mevrouw van Vliet en is meer, dan ik kan verdragen, waar het een vriendin geldt, die ik zó waardeer als ik het juffrouw van Heusden doe. Ik wens u goeden avond, mevrouw” en Jet stond op om heen te gaan.
„Juffrouw Molenaar,” klonk een gesmoorde stem, toen Jet al bij de deur was. „Ach, laat u mij niet alleen, ik voel me zo verlaten, ik heb zo’n verdriet.”
Jet draaide zich om en zag opeens een heel andere mevrouw van Vliet, dan ze totnogtoe gezien had. Het was net of ze plotseling kleiner was geworden, dacht Jet, en ze bleef midden in de kamer staan, niet goed wetend wat ze doen moest, nu mevrouw plotseling in tranen uitbarstte. Jet liet haar maar rustig uithuilen, schonk een glaasje water in, wachtte gelaten tot mevrouw’s tranen gedroogd zouden zijn.
„De hemel mag weten, waar de jongen is!” snikte mevrouw.
„Dat zal zo’n vaart niet lopen,” kalmeerde Jet, die moeite had haar lachen te bedwingen. „Uw zoon is misschien een wandeling gaan maken.”
„We hadden een kleine onenigheid,” biechtte mevrouw op. „Ik vroeg hem wat te veel naar zijn zin. Stel u voor! terwijl ik altijd alles mocht vragen.”