156
„Ja, ’t is daar een peulschilletje, da’k haar niet gezien zou hébben,” lachte Geert. „Niks hoor! hij was helemaal alleen in z’n eentje!”
„Vreselijk, Geert!” steunde Bea. „Wat moet er van ons jongetje terecht komen? die gaat verloren in deze grote, zondige stad!”
„O, juffrouw, houd u op!” gierde Geert. „Ons jongetje! een lekker jongetje! zo’n lange snijboon van een vent!” „Waarom lachen jullie zo?” informeerde Jet, die de keuken in kwam lopen.
„Geert lacht, ik huil!” deed Bea theatraal. „Ik huil om de verloren zoon. Ach, Jet, Jet, waar is ons heil gevaren? Reindert is zonder moe uit! daar moeten ongelukken van komen.”
„’t Is toch niet waar!” verwonderde Jet zich. „Dat is nog nooit gebeurd zolang als ze hier wonen.”
„Mag ik de thee brengen vanavond?” vroeg Bea. „Ik moet dat gezicht van de Frigidaire zien.”
„Neen, juffrouw Bea, dat is niet eerlijk, ik doe het iedere avond,” verweerde Geert zich.
Ze stond klokslag acht met de thee voor mevrouw van Vliet, die kaarsrecht in haar stoel zat, de handen werkeloos in de schoot.
„Wil je vragen of juffrouw Molenaar even bij me komt? juffrouw Molenaar, versta je me?”
„Ze denkt zekers, dat ik hardstikke doof ben,” mopperde Geert, terwijl ze de trap afrende.
„Daar zal je het hebben,” zei Jet, die de van Vliet’s een angstig bezit vond.
„Ga maar gauw,” animeerde Bea, „ik brand gewoon om te weten, wat er aan de hand is. Als Reindert soms opgespoord moet worden, kunnen we Els waarschuwen, dat is een echte speurhond.”
Jet toog naar boven, klopte aan.