150
verkorven bij Hare Hoogheid! Ik zal die bloemenstruik maar op tafel planten, staat nog eens gezellig.”
Bea was net klaar met dekken, toen de deur open ging en Reindert van Vliet binnen kwam.
„Juffrouw van Heusden,” zei hij verrast. „Weer terug? u heeft nare tijden doorgemaakt.”
„Ik ben het tafel dekken haast weer afgewend,” ontweek Bea het verder praten over wat ze doorgemaakt had. „Ik hoop maar, dat ik niets vergeten heb. Uw moeder zou het anders nog meer betreuren, dat juffrouw Molenaar nu niet meer alle zorg voor u beiden heeft.” Die zit, dacht ze vermaakt.
„Ik geloof, dat u mijn moeder verkeerd ziet,” zei hij langzaam.
„Nu, u zult toch moeten toegeven, dat het type Molenaar uw moeder beter zal liggen, dan het type van Heusden.”
Hij knipperde wat verlegen met de ogen. Wat moest hij hierop zeggen? Het grappige van het geval was, dat die juffrouw van Heusden het absoluut bij het rechte eind had.
„Jammer,” dacht hij, „verduveld jammer!, waarom stond moeder ook zo afwijzend tegenover haar en werd de andere hemelhoog geprezen?”
Voor het eerst in zijn leven was er wrevel in zijn hart tegen de vrouw, die hij blindelings gehoorzaamd had en wier mening altijd de zijne was geweest.
„Hemeltje lief!” kreet Bea. „De servetten! Zult u meniet verklappen, meneer van Vliet?”
„U heeft de Vichy-tabletten van moeder ook vergeten.” lachte hij.
„U is een lankmoedig man,” prees Bea. „Heb ik nu verder niets vergeten? Neen, zo ver mijn geheugen reikt, is alles present en kan ik verdwijnen. Meneer van Vliet, ik wens u smakelijk eten.”
„Waarom heb ik nou niet gevraagd, of ze nog even bleef?” beknorde van Vliet zichzelf. „Moeder komt toch pas om zeven uur.”