148
„En tóch vraag ik of vader me naar Londen laat gaan, al is het maar voor drie maanden. ”
„Je bent een eigenwijs kuiken, Els! als er ooit een kans is, dat de oude heer van Stralen vrede met de keuze van zoonlief krijgt, dan verknoei je het hiermee hopeloos.”
„Dat hoeft ie toch niet te weten!”
„Hij hoefde ook niet te weten, dat jij het was, die zijn zoon’s hart in lichtelaaie heeft gezet! geloof maar gerust, dat hij in Londen wel iemand heeft, die een oogje in het zeil houdt.”
„Ja,” gaf Els, die hoe langer hoe tammer werd, toe. „Ed gaat bij een zakenvriend van zijn vader wonen, dus die zullen hem wel bespieden. Bah! wat een zoodje! wat moet ik er nu mee?”
„Net wat ik je zeg, Ed rustig laten gaan en hard werken, allebei, opdat Pa van Stralen de rijke zegeningen ondervindt, van een verbintenis van zijn zoon met een meisje als Els de fiere!”
„Ja, spot jij maar! je weet niet wat het zeggen wil, als je zoveel van elkaar houdt, mekaar dan in een heel jaar niet te kunnen zien.”
„Neen, daar kan ik niet over mee praten, maar het lijkt me toch de enige weg voor jullie om de vader te vertederen.”
„Ja, ik geloof het ook,” klonk het deemoedig. „Ik zal er vanavond met Ed over spreken. We moeten dan maar door de zure appel heen bijten. Zul je me een beetje helpen, Bé, om door die nare tijd heen te komen? Ik kan er toch met niemand over spreken.”
„Zoet maar, ik zal je wel af en toe gelegenheid geven je boordevol gemoed uit te storten. Kom maar weer eens aanlopen.”
„Daar gaat ze nou,” dacht Bea, die haar nakeek. „Eerst een furie en nu een tam, klein hondje.”
„Is Els al weg?” vroeg Jet, die klaar was met „me