142
trent de verhouding waarin ik tegenover mijn nichtje sta, mag ik nu van u weten, of ze onderdak bij u kan krijgen?”
„Ik vind het zo onprettig, te moeten marchanderen,” aarzelde Jet, „maar de prijs, die u noemde is heus te laag. We moeten meer maken voor de grote kamer.”
„Het is bij ons een legkaart, meneer Rienstra, als de boel niet precies past, gaan we op de flacon,” lachte Bea.
„Gelukkig dan maar, dat ik u zeggen kan, dat mijn broer met de condities, die u stelde, accoord gaat. Dus is de zaak nu voor mekaar en kunt u mijn nichtje de volgende maand verwachten. En nu kom ik met mijn tweede vraag op de proppen: ik heb n.1. twee kaarten voor het concert van Zondagavond, heeft u zin om te gaan? een beetje afleiding kan voor u beiden geen kwaad, dunkt me. U gaat er haast nooit uit.”
„Zie evengenoemde legkaart,” lachte Jet. „Uitgaan kost geld, meneer Rienstra en dat hebben we nog niet. Maar het is erg vriendelijk van u. Bé, hoe denk je er over? ik wil dolgraag. Ik heb in tijden het orkest niet gehoord.”
„Ik vind het gewoon een boffie,” zei Bea dankbaar.
„Dan ben ik nu aan het einde van mijn vragenlijst. Ik breng u de kaarten wel even. En, ja, dat had ik bijna vergeten, mijn nichtje brengt een paar dingen mee, ik meen een schrijftafel en een thee-meubel.”
„Hoe meer hoe liever,” lachte Jet. „Des te minder hebben wij te kopen.”
„Dat dacht ik ook al. U ziet, ik leef helemaal mee met het wel en wee van ons pension.”
„U is onze reddende engel!” flapte Bea er uit. „We zaten straks net vurig te hopen, dat er weer wat verhuurd zou worden.”
„U heeft geen talent voor hospita,” plaagde hij. „U moet proberen politieker te worden.”
„De gleufhoed is inderdaad een dierbare engel,” zei Bea,