141
daarom verdiep ik me er ook verder niet in. Als het komt is het goed en als het niet komt, ook. Alleen, half mag het niet zijn, dat heb ik mezelf beloofd.”
„Jij staat zo heerlijk sterk in het leven,” zei Bea bewonderend. „Ik geloof, dat jij niet licht een désillusie zult krijgen.” Een klop op de deur stoorde de beide meisjes in hun gesprek.
„Mag ik even binnen komen?” vroeg meneer Rienstra. „O,” zei hij verrast: „Is juffrouw van Heusden weer terug? we hebben u gemist, niet waar, juffrouw Molenaar?”
„Ik althans,” lachte Jet.
„Ik kom met twee vragen, heeft u even tijd?”
„Nu mijn Co weer thuis is heb ik voor alles tijd. Gaat u er even bij zitten.”
„Graag. Mijn nichtje schreef me, of ik u gesproken had over de kamer. Ze zou nu graag zeker weten, of er iets van komen kan.”
Jet keek even naar Bea.
„Ik geloof, dat we beter doen eerlijk met meneer Rienstra te spreken,” zei Bea. „De kwestie is, meneer Rienstra, dat mevrouw van Vliet een wat conservatieve dame is en nu zijn we bang, dat... eh... dat, wanneer uw nichtje, misschien niet alleen uw nichtje, maar uw verloofde is...”
„O, hemel, neen,” lachte meneer Rienstra. „Wat zal ze een pret hebben als ze dat hoort! Ze is verloofd, dat is waar, maar niet met mij! Ze is de dochter van mijn oudste broer en gaat hier studeren. Haar ouders zouden graag zien, dat ze in mijn pension kwam, dan kan oom nog eens een wakend oogje houden, maar vooral zijn ze er op gesteld, omdat ik verteld heb, hoe best ik het hier heb en... ik hoop, dat u me niet voor een vleier zult houden — in welk beschaafd milieu ik hier ben. U kent toch zelf het kamer-ver-hurend genre, nu, dan is uw pension werkelijk een uitzondering. Ik ben niet zakelijk om u zoiets te zeggen, maar ik weet dat ik het tegen u kan zeggen. Nu heb ik u gerustgesteld, om