129
het ongelukkige trekt haar. Als Peter beter wordt, zal het een vreselijke ontgoocheling voor hem zijn, te ervaren, dat het alleen maar medelijden was, wat hij opwekte.”
„Maak je daar nu nog geen zorg over, klein piekerhoofd,” trachtte Tom haar zorgen weg te schertsen. „Ik kom de laatste tijd een boel te kort,” klaagde hij. „Wat heb je er naar verlangd, dat we eindelijk aan trouwen konden denken en nu we, dank zij de goede zorgen van je vader, ons nestje kunnen gaan inrichten, nu is het net of je er niet meer om geeft. Heus, liefke, je hebt me de laatste tijd een beetje verwaarloosd.”
„Wees niet boos, Tom,” zei Toet berouwvol. „Het is allemaal nog zo vers, het sterven van vader en toen direct daarop het ziek worden van Peter. Ik denk vaak genoeg aan het geluk, dat we nu niet lang meer hoeven te wachten, maar het is wel een beetje duur gekocht en het was zoveel heerlijker geweest, als vader het had mogen beleven.”
„Dat ben ik helemaal met je eens, maar het neemt niet weg, dat je er je toch op kunt verheugen en het moet beschouwen als een lichtpunt in donkere dagen.”
„Je hebt gelijk, Tom.”
„Als altijd,” lachte Tom en hij drukte het donkere hoofd stevig tegen zich aan.
„Waar is je moeder toch?” vroeg hij, nu het hem plotseling opviel, dat hij haar al een paar avonden niet had gezien.
„O,” lachte Toet, „Die is alweer naar tante Leentje. Dat is plotsklaps zó chaud tussen die twee geworden. Je moet weten, dat het de goede Helena gelukt is Maatje zoveel van het edele bridge-spel 'bij te brengen, dat ze een niet al te slechte partij speelt en Maatje is er zó verrukt over en zó helemaal vervuld van haar eigen knapheid, dat zij een zó lastig spel kon leren, dat ik nu niets anders hoor, dan verhalen over verloren of gewonnen robbers. Het schijnt mijn noodlot te zijn, dit altijd te moeten aanhoren, eerst vervolg-
We slaan er ons door. 9