128
twee keer per dag naar boven te gaan, haar hand op Peter’s blonde haren te leggen en dan geruststellend te zeggen, dat hij er heus veel beter uitzag. Om Peter’s mond speelde dan een spottend lachje en terwijl hij even speels haar hand pakte, vroeg hij: „Aan je hoeveelste hoed ben je nu al, Maatje?”
Waarop ze, een beetje kwijnend zei, dat haar hoofd dit jaar niet naar hoeden stond.
Het leek die eerste dagen werkelijk of Peter iets in beterschap toenam. Iedere dag, zodra hij Toet zag, was zijn eerste vraag, of ze dacht, dat Bea zou komen. En even zoveel keer zei Toet, dat ze niet zeker wist of Bea wel zou kunnen, want ze kon Jet toch niet voor alles alleen laten opdraaien.
Maar als het telefoontje kwam, dat Bea of Jet iedere dag gaven om naar Peter te informeren, dan bracht Toet zijn vraag over en altijd werd het zo geschikt, dat iBea bij hem zou kunnen komen. Toet snelde dan meestal naar Jet, om die in Bea’s plaats te helpen, want ze kon het niet gedogen dat Jet, die het al druk genoeg had, het door het telkens weg roepen, dat zij Bea deed, nóg drukker zou krijgen. Iedere dag nam ze zich voor ',Bea niet te zeggen, dat Peter naar haar gevraagd had, maar als ze dan weer dacht aan de hunkerende uitdrukking in Peter’s ogen, dan kon ze het niet over haar hart verkrijgen, Bea er niets van te zeggen.
„Ik vrees, dat de jongen verliefd op haar is,” zei ze tegen Tom. „Ik moest het tegen gaan, maar ik kan het niet.”
„Laat het maar zo,” vond Tom. „Gun het hem maar, het is de eerste keer in zijn leven, dat hij waarachtig van iemand houdt.”
Dat was weer Tom, dacht Toet en vol liefde keek ze naar hem op. Tom, die schijnbaar zo onbewogen door het leven ging, maar meer oplette, dan wie ook.
„Maar Bea houdt immers niet van hem,” twijfelde Toet, die geen vrede met zichzelf had. „Wat J3ea voor hem voelt is niets dan medelijden. Bé is altijd zo geweest, het zwakke,