125
beste klaploperige amice van me, om Maatje en Toet te treiteren, die misschien wel op de duiten hopen!”
„Hè, Peter,” zei Bea pijnlijk getroffen. „Hoe kun je zo over Toet denken?”
„Nou, stil maar, ik was toen nog niet zo braaf als nu! maar in ieder geval, voel ik er niets voor om me familie iets na te laten, die hebben genoeg om netjes van te kunnen leven.”
Na een lange pauze zei Peter — en er kwam een ongemeen zachte uitdrukking in zijn ogen: „Ik zou het geld zo graag geven aan een inrichting, waar verwaarloosde kinderen opgevoed worden, van die schoffies, waarvan misschien nog iets terecht kan komen in dit beroerde leven. Wil je me hiermee helpen, Bea en wil je er dan niet zo lang mee wachten? het zal me zo’n rust geven, als ik weet, dat het in orde is. Zou je een notaris voor me willen opscharrelen, die dat vlug voor me in orde maakt? waarom kijk je me nu zo bedroefd aan?, dat moet je niet doen, daar maak je me zo week mee en dan ga ik misschien dingen zeggen, die ik beter niet tegen je kan zeggen. iBéetje, wil je nog weer eens bij me komen? je hebt me zoveel goed gedaan, met je rustig luisteren en niets zeggen dat op medelijden wijst.”
Bea wist niet anders te doen, dan zijn hand, de doorschijnende, tengere hand, die was als van een kleine jongen, zacht te strelen.
„Ik zal zo gauw mogelijk voor alles zorgen,” beloofde zij. Hij vroeg haar niet, er niet met Toet over te spreken, knikte alleen maar tevreden en sloot dan vermoeid de ogen.
Zacht stond Bea op en gleed de kamer uit. Bij de deur keek ze nog even naar hem om en ze schrok van de brandende blik die in zijn ogen was toen hij haar na keek.
„Ik kan zo niet naar binnen gaan,” dacht ze, toen ze, de ogen vol tranen, de trap af liep. „En toch moet ik de zuster waarschuwen, dat ik weg ga.”
Bea droogde haar tranen en stapte de huiskamer binnen.