122
ga ik maar een beetje beneden zitten, mocht u me nodig hebben, dan laat u juffrouw van Heusden wel even bellen.” Hij knikte toestemmend.
„Zult u niet al te veel praten?” vroeg ze nog even, want het opkomende rode blosje beviel haar niet.
Toen kwam Bea binnen. Haar mooie donkere kopje ging geheel schuil achter de grote bos donkerrode rozen, die ze droeg.
„Zal ik ze maar eerst even in water zetten?” vroeg ze, en ze was blij, zich even te kunnen verwijderen, zó machtig had haar het doorschijnende gelaat van Peter aangegrepen.
„Die wasbleke handen!” dacht ze geroerd, terwijl ze het water in de vaas liet lopen. „Ik geloof nooit, dat hij er boven op zal komen.”
Bea, die haar leven lang warm gevoeld had voor al wat leed en al wat zwak was, voelde in haar hart een groot medelijden opkomen voor de jongen, die ze eerst zo onuitstaanbaar had gevonden.
Ze zette de vaas neer op het tafeltje, dat dicht bij hem stond en zei, terwijl ze naast hem plaats nam: „Van Jet en mij samen, hoor.”
„Prachtig zijn ze,” zei hij, „zul je Jet voor me danken?” Er was even een zwijgen en Bea voelde hoe hij moeite had om te beginnen. Ze keek eens' naar buiten, alsof de in zomer-bloei prijkende buren-tuinen haar volle aandacht hadden.
„Bea,” zei hij dan zacht en zijn stem had een omfloersde klank. „Ik heb zoveel nagedacht in al die weken, dat ik hier lig en waarin ik me eigenlijk al zo half dood voel. Ik heb gedacht, dat ik het iemand moet zeggen vóór het misschien te laat is. Neen, zeg nou maar niet, dat het niet zo erg met me is en ik wel weer beter kan worden. Die mogelijkheid heb ik mezelf ook voorgehouden en ik zou er niet eens blij mee zijn, als ik beter werd. Het is voor mij de beste oplossing, als ik er maar tussen uit knijp! wat zou het leven mij nog kunnen