121
verstaan gegeven, dat ze hem met rust moest laten en hij het wel zeggen zou, als hij behoefte aan een biechtmoe-der had.
Tot op een dag, Peter vroeg of Bea niet eens bij hem zou willen komen. Toet, heel verbaasd, doch blij, dat hij uit zijn apathie los kwam, beloofde Bea een belletje te geven.
Bea was al even verbaasd als Toet, maar beloofde toch nog diezelfde dag te zullen komen.
„Zo’n haast had ’t nu ook weer niet,” mopperde Peter, toen Toet hem Bea’s boodschap over bracht, maar ze lette toch op, dat er een tevreden trek op zijn gezicht kwam.
„Ik ben een boon als ik weet wat hij haar te zeggen zal hebben,” dacht ze.
De zuster moest hem beloven naar beneden te gaan, als zijn bezoek kwam. Ze schoof zijn bed vóór de open balcon deuren, opdat het warme Augustus-zonnetje hem door en door kon koesteren.
„Zal ik u nu eens de mooie zijden pyama aandoen, met die prachtige geborduurde vogels?” vroeg zuster om hem op te wekken. „Dan ziet u er net uit als een film-held,” plaagde ze.
Maar hij wilde er niet van horen.
„Geen comedie,” zei hij nors. „Ik wil juist proberen echt te worden.”
Zuster dacht: „Probeer maar eerst beter te worden, stakkerd,” maar ze sprak de woorden niet uit en plaagde: „Ik mag wel even kijken of het een aardig meisje is, niet?”
„U kent haar, het is de vriendin van m’n zuster, Bea van Heusden.”
„O, is die het? nou, dat is een schattig meiske om zo te zien.”
Hij gaf geen antwoord en sloot zijn ogen, een gewoonte van hem, als hij niet verder wilde praten.
„Ik hoor iemand op de trap,” zei zuster een poosje later. „En het zijn niet de stappen van uw zuster. Nu, meneer, dan