120
teressant maakte, zoals zij zelf vond, moest zo* perfect mogelijk zijn.
Toet, die haar kasboek bijhield, waarschuwde steeds, maar Maatje deed of haar dochter het overdreef en ging rustig door met inkopen doen. Nooit zou Toet de begrafenisdag vergeten, toen Maatje, in modieus, zwart gewaad, een coquet weduwenkapje op de sterk gebleekte haren, en een toef violetten op de borst, achter de baar had gelopen.
Het had Toet zo zeer gedaan en ze had zich geschaamd voor de vrienden en kennissen — haar vrienden — die gekomen waren, om vader de laatste eer te bewijzen.
Het was Maatje’s grote dag geweest en ze had geschreden achter de baar als een grote tragédienne, die haar rol speelt. Er was niets echts bij geweest.
Met Peter bleef het kwakkelen en dokter had liever gezien, dat de koorts flink doorgezet had, dan de kwakkeltem-peratuurtjes, zoals hij het noemde, van de laatste tijd. Daarbij was de jongen doodzwak en totaal apathisch.
„Zouden we hem niet wat naar buiten kunnen sturen?” had Toet gevraagd, maar dokter had gezegd, dat hij het niet aandurfde, zolang de patiënt nog zo zwak bleef.
De zuster — een vrouw van middelbare leeftijd — was de enige, die nog wel eens een vriendelijk woordje van hem kreeg. Ook dronk hij om haar te pleizieren, zijn melk op, hetgeen een hele overwinning was, daar hij de eerste tijd alle voedsel had geweigerd.
„U wilt toch wel beter worden?” had ze hem eens gevraagd.
„Waarvoor eigenlijk?” Hij had zich omgekeerd en de hele dag geen woord meer gesproken.
„Uw broer heeft iets, dat hem heel erg hindert,” had zuster gezegd, toen ze Toet eens alleen sprak. „Ik heb zo’n idee, dat het zijn beterschap tegen houdt.”
Toet had daarop geprobeerd hem aan het spreken te krijgen, echter zonder enig resultaat. Hij had duidelijk te