vaker gebeurd. Dikwijls is een zware ziekte nodig, om van iemand een beter mens te maken.”
„Jij bent soms net een profetes,” zei Toet. „En ik ben je zo dankbaar, dat je kwam vandaag. Je hebt me veel goed gedaan, zoals altijd, Béetje.” Weer de dankbare blik. Bea nam zich voor, Toet te blijven helpen en als het kon, ook Maatje en Peter.
Het werden moeilijke dagen voor Toet en als ze Tom en Bea niet had gehad, zou ze niet geweten hebben, hoe ze hier doorheen was gekomen. Het had een ware storm gegeven met Maatje, toen bij de opening van het testament bleek, dat meneer Numan zijn dochter had aangewezen om zijn laatste wil uit te voeren.
„Als een onmondig kind heeft hij me behandeld,” klaagde Maatje. „En wat hebben wij aan de rente van het kapitaal! dat is niet eens genoeg om er drie maanden van te kunnen leven. O, hoe kan ik nu in liefde aan die man denken! ” riep ze theatraal uit. „Hij heeft ons tekort gedaan.”
Toet had de grootste moeite om kalm te blijven, temeer, omdat haar vader alles zo wijs beschikt had en het voor haar een marteling was, dergelijke dingen aan te horen.
„Wat zou Tom’s moeder dankbaar zijn geweest, als haar man haar nagelaten had, wat vader u naliet,” zei ze bitter. „O, die is nooit anders gewend geweest.”
„Weest u liever blij, dat u niemand nodig zult hebben en keurig, al is het dan ook bescheidener, dan nu, zult kunnen leven. Gaat u maar eens bij tante Leent je in de leer, die heeft niet zoveel als u en heeft een best leventje.”
Maar er hielp niets aan, Maatje bleef zichzelf beschouwen, als een arm slachtoffer, dat de dupe was geworden van haar man’s onverdragelijk humeur.
Zelfs de ernst van Peter’s toestand, was niet in staat haar gedachten af te leiden van het vermeende onrecht, dat haar was aangedaan. En steeds moest Toet haar remmen wat betrof haar particuliere uitgaven. De rouw, die haar zo in