ii8
bedroefde weduwe!” hij liet een schorre lach horen, die eindigde in een gierende hoestbui.
„O!” gilde Maatje, toen ze zag, dat de zakdoek, die hij voor de mond hield lichtrood gekleurd was.
Tom stond op, ging naar de keuken, haalde uit de ijskast stukjes ijs.
„Neem een stukje in je mond,” zei hij zacht en vol medelijden. „Toet, bel nog eens op, vraag of de dokter direct komt.”
Als een ziek aapje hing Peter in de stoel, zijn adem ging kort en gejaagd.
„Ik wil naar een ziekenhuis,” zei hij dan.
Maar de dokter, na hem onderzocht te hebben, vond niet goed hem te vervoeren. „Er moet direct een zuster komen,” zei hij zacht tegen Tom. „Het is een ernstige longontsteking en de toestand is lang niet zonder gevaar, ’t Is wel heel tragisch, juist nu zijn vader gestorven is.”
De salon werd in allerijl ingericht als ziekenkamer en een uurtje later lag Peter in bed, onder de hoede van een flinke verpleegster.
„Het was of jij het vooruit gevoeld hebt,” zei Toet, toen ze dien avond Bea uitliet en haar maar niet kon laten gaan. „Weet je ’t nog, toen ik je mijn leed uitklaagde en je zei: „meestal komen de dingen op z’n onverwachtst.” Nu zijn de dingen gekomen en staan we plotseling tegenover het onherroepelijke van vader’s dood en is er Peter’s ziekte, waarvan misschien ook al niet veel moois te verwachten is. Wat lijkt <al dat vroegere nu nietig en wat zou ik er voor geven, als alles maar gebleven was zoals het was toen vader nog leefde. Toen had ik hem immers nog.”
„Vergeet niet, dat hij er toch erg onder leed en het weten, dat hij er niets aan kon veranderen, moet hem wel erg mismoedig hebben gemaakt. Wie weet, Toet, als Peter hier doorheen komt, verandert er veel ten goede in hem. Dat is