ii7
„Je vader is dood,” zei Tom toen langzaam.
„Is het waarachtig?” vroeg hij zacht en even dachten ze, dat hij onder de indruk was. „Wanneer is de oude baas gestorven?”
Niemand antwoordde en er was een dreigende stilte in de kamer, die alleen maar verbroken werd door een zó snerpende hoestbui van Peter, dat het angstig was om aan te horen.
„Ga naar bed, Peter,” zei Tom. „Je schijnt het zwaar te pakken te hebben.”
„Allicht, zeg,” lachte hij ruw. „Ik was met vrienden uit en in een dronken bui hebben we ’s nachts door gereden en zijn we in het water gekelderd. Ik heb er nog een heel tijdje in gelegen! ik dacht al: daar gaat Petertje! en ik had jullie het boffie graag gegund, maar je ziet ’t, ze willen me nog niet en achteraf ben ik nu ook blij, dat ik er uitgekropen ben!”
Hij zei niet, waarom hij juist nu zo blij was, maar ze voelden allen, dat hij nu hoop op de erfenis had.
Uitdagend keek hij naar Bea, alsof het hem genoegen deed, dat juist zij dit onverkwikkelijke toneel bijwoonde.
Hij liet zich neervallen in een gemakkelijke stoel, maar moest zich telkens weer oprichten, als een felle hoestbui hem weer begon te kwellen. Het was een vreselijk gehoor en het leek of zijn borst uiteen scheurde.
„Peter,” zei Toet flink. „Ga nu onmiddellijk naar bed, ik zal dokter opbellen dan kan die zeggen, of je soms een wa-terverband moet hebben.”
„Waar ligt vader?” vroeg hij opeens.
„Wil je vader zien?” Toet’s stem was opeens zachter.
„Dank je wel,” zei hij koel. „Ik heb alleen geen zin, om naast een sterfkamer te liggen.”
„Misselijk, ongevoelig wezen,” viel Toet uit.
„Ik huichel er niet om en ik kan ook geen verdriet ten toon spreiden, dat ik niet voel. Die zit, hè Muschi? dè diep