"3
„U moet u niet zo aftobben,” zei Bea, die diep medelijden met hem had. „U blijft toch nog bij hun en kunt toch flink zijn.”
Maar hij schudde weemoedig het hoofd.
„Neen, kind, dat voel ik maar al te goed, met mij duurt het niet lang meer.”
Er volgde een lang zwijgen en Bea had niet de moed hem te storen in zijn gedachtegang.
„Nog steeds niets van de jongen,” zei hij eindelijk. „Bea, zullen jullie hun niet in de stede laten als ik er niet meer ben?”
„Die belofte wil ik u graag geven,” zei Bea en ze deed haar best haar stem luchtig te doen klinken. „Maar, meneertje, zo ver zijn we nog lang niet, u knapt weer helemaal op, als de verloren zoon terug is. Ik geloof, dat ik beneden iets hoor, wil ik eens voor u gaan kijken?”
„Neen, laat me niet alleen!” drong hij aan en Bea zag, hoe hij met de hand greep naar zijn hartstreek, alsof hij daar pijn had.
„Warme... warme... kruik...” stamelde hij. „Gauw... roep...”
Bea liep naar de gang, riep naar beneden om Toet.
Toet holde naar boven, gevolgd door de dokter, die juist gekomen was. Het was op ditzelfde moment, dat meneer Numan het hevig benauwd kreeg en zc hem plotseling voorover zagen buigen.
De dokter verzocht de beide meisjes even naar buiten te gaan.
„O, Bé,” snikte Toet. „Als vader maar niet...” ze durfde het woord niet uit te spreken.
Bea drukte zacht haar arm. Wat moest ze zeggen ! Steeds zag ze voor zich, dat met een paarse tint overtogen gelaat, de blauwe lippen.
Even later kwam de dokter naar buiten. Ernstig keek
8
We slaan er ons door.