112
„Welneen, hij is dol op jullie en vindt het nog altijd jammer, dat er niets van dat bureau kwam. Hij ziet immers niet in, dat het jog nergens voor deugt.”
Bea ging mee naar boven, vond meneer Numan liggend voor het open raam, terwijl ze oplette, dat zijn ademhaling kort en gejaagd ging.
„Hemel!” dacht ze verschrikt. „Hij is niet goed, en wat is zijn kleur slecht.”
„Bea,” zei hij verrast. „Wat ben ik blij, dat je komt” hij strekte de hand naar haar uit. „Toet, ga jij nu een poosje bij moeder zitten, je kunt nu toch rustig weg gaan, Bea blijft me wel gezelschap houden.”
Het spreken viel hem moeilijk, en Toet, dit ziende, deed wat hij haar vroeg en ging naar beneden. Ze nam zich voor direct de dokter op te bellen, want de kleur van zijn gelaat beviel ook haar niet.
Bea dankte de hemel, dat ze gegaan was. Ze had het gevoel, dat het goed was, dat er nu, buiten Toet en het meisje, nog iemand in huis was. Rustig nam ze naast meneer Numan plaats.
„Ik maakt me zo angstig, kind,” zei hij zacht.
„U moet u niet angstig maken, het is niet goed voor u er)
ik ben er zeker van, dat Peter straks heel rustig thuis komt en alle angst voor niets was.”
„Wat moet er van die twee komen, als ik weg ben,” zuchtte hij. „Ze zullen wat ze erven direct er doorheen slaan en
dan wordt Toet de dupe van ze. Ik ken dat”
Uitgeput bleef hij liggen, het spreken werd hem steeds moeilijker.
„Laat ik uw kussens eens wat hoger op doen,” zei Bea en ze bolde de kussens hoog op, hielp hem om rechtop te gaan zitten. Het deed hem goed en hij ademde weer wat vrijer.
„Ze kunnen niet aan het kapitaal komen, daar heb ik voor gezorgd, maar ze komen nooit toe met de rente en dan zullen ze op Toet rekenen. Dat geeft me allemaal zoveel zorg.”