Toen Bea bij Toet aanbelde, hoorde ze van het meisje, dat de juffrouw niet thuis was en de boodschap had achtergelaten, dat ze de hele dag in de Apollo-laan bleef.
„Dan ga ik haar daar wel opzoeken,” zei Bea, die Toet na die avond niet meer gesproken had en het gevoel had, dat Toet het prettig zou vinden als ze weer eens één uit de vriendenkring zou spreken.
Dus toog ze naar de Apollolaan, waar ze altijd — vooral bij meneer Numan — wist, welkom te zijn.
„Ja, de juffrouw is hier,” zei het meisje. „Ik zal even horen of ze u ontvangen kan.”
Even later kwam Toet naar beneden gehold. Bea zag direct, dat ze er opgewonden uitzag.
„Wat is er, Toet?” vroeg ze ongerust.
„Peter is vannacht niet thuis gekomen en nu maken vader en moeder zich helemaal overstuur. Het werkt natuurlijk direct op vader’s hart en hij heeft ’t telkens zo benauwd. Dat het ellendige jog hem toch zo in onrust laat zitten! natuurlijk om hem angst aan te jagen en op die manier zijn zin te krijgen.”
„Er is toch een mogelijkheid, dat hem iets overkomen is.” „Dan hadden we het toch al lang gehoord. Tom heeft nog verschillende politie-bureaux opgebeld, maar er was niets aangebracht. Met moeder is gewoon geen land te bezeilen en ik moet haar zoveel mogelijk van vader weg houden, want ze verwijt hem gewoon, dat hij haar jongen de dood heeft ingedreven. Toe, Bé, ga even mee naar vader, misschien kun jij hem wat tot kalmte brengen.”
„Zou hij het niet naar vinden, dat ik zo van alles af weet?”