io7
„Ik zal dan af gaan op wat u zegt,” zei ze wat zuurzoet en Jet boekte een overwinning. „Misschien ben ik wat eenzijdig ingelicht,” veronderstelde mevrouw.
„Juffrouw van Heusden is van zeer goede familie,” snoefde Jet. „Van Heusden’s Houthandel — Heerenveen.”
„Zijn nog geparenteerd aan de van Renen’s uit Oranjewoud,” knikte mevrouw voldaan. „Goeie famieje.” Jet had een binnenpretje om het laatdunkende „famieje”.
„Een neef van mij is met een van Renen getrouwd,” lichtte mevrouw toe.
„Straks zijn Bé en zij nog „famieje” van elkaar,” snoof Jet in stilte.
„In ieder geval, we zullen er nu dan maar over zwijgen en u doet me wel het genoegen zoveel mogelijk de zorg voor ons persoonlijk op u te nemen,” drong mevrouw aan en in haar stem lag alle onrust om haar zoon, zelfs al was van Heusden’s Houthandel een pleister op de wonde.
Jet zei hoopvol, dat mevrouw’s oordeel omtrent Bea zich wel zou wijzigen en ontweek daarmee een toestemmend antwoord op haar vraag. Ze wilde al verdwijnen, toen mevrouw bleek nog een tweede kwestie op het hart te hebben.
„Ik ontmoette al enige keren in de gang een jonge man, woont die hier óók in huis?”
Het óók was kostelijk, vond Jet, alsof zij en chocolade Reindertje het alleenrecht bezaten om in hun huis te wonen!
„U bedoelt zeker meneer Rienstra,” zei ze dan hoog. „Ja, mevrouw, die woont óók bij ons.”
„Eigenaardig moderne opvattingen allemaal,” spotte mevrouw. „Een jonge man bij twee jonge dames! vinden de ouders van juffrouw van Heusden dit nu wel 20 heel plei-zierig?”
„Die vonden toch ook wel goed, dat hun dochter op kamers woonde in een pension waar zeker ook jonge mannen in huis waren.”
„En wat doet die meneer — hoe zei u ook weer?”