101
van een bejaarde dame en een lange, wat stugge zoon.
„We gaan ze met ons beiden tegemoet,” zei Jet. „Dan kan ik je meteen voorstellen, want ik heb, toen ik bij hun was, maar zo terloops gesproken van een dame, waar ik tezamen mee het pension dreef.”
Dus gingen ze samen naar de hall, waar ze moeder en zoon afwachtten.
„Een blik, die boekdelen spreekt,” dacht Bea, toen ze bij het voorstellen mevrouw van Vliet’s blik over haar persoontje zag gaan. „Angstige moeder-ogen, die een aanval op het hart van zeunlief vrezen,” dacht ze geamuseerd. Dan volgde ze hun met Jet naar de kamers.
„O, ja,” was het enige, wat mevrouw van Vliet zei en haar zoon zei niets.
„Wanneer u een of ander aan de inrichting veranderd wilt hebben,” begon Jet haar tweede speech van dien dag.
„Het is wel ganselijk anders geplaatst, dan wij het gewend zijn, niet waar, Reindert?”
„Ja, Ma,” zei haar zoon en hij knipperde wat verlegen met de oogleden — een gewoonte, die hij nog over had gehouden uit zijn kinderjaren.
„O, maar het is een kleine moeite...” zei Jet. „Niet waar, Bé?”
„Ja, Jet.” In Bea’s ondeugende ogen vonkte het.
„Ik ben niet gewend zo gauw een 'beslissing te nemen,” wees mevrouw Jet wat snibbig terecht.
Reindert knipperde heviger dan ooit en keek tersluiks naar Bea, alsof die de terechtwijzing persoonlijk aan ging.
„Als Jet die oude draak nou maar in d’r eigen vet laat gaar koken,” dacht Bea wraakzuchtig.
Maar Jet deed of ze de wat onvriendelijke manier van zeggen niet opgelet had en bood mevrouw aan, wanneer ze dit wenste — ze drukte even op dit „wenste” — te helpen met het uitpakken van de koffers. Waarop mevrouw, direct een graad vriendelijker, zei, dat ze hiervan gaarne gebruik