224
„En dat is?" vroeg Maarten gespannen, want hij wist van dit plan niets.
„Dan ga ik een poosje bij Oom Goof, moeder's broer in huis en ga bij hem iets van de tuinderij leeren, opdat ik tenminste een beetje beslagen op het ijs kom als Maarten zich geheel aan z’n tuin gaat wijden."
Meneer Weldam vond het erge nonsens, maar Maarten juichte het plan van harte toe en mevrouw Weldam straalde.
„Dat heb ik bedacht, Maarten, toen we straks naar huis liepen, met de mand vol bloemen tusschen ons in, bloemen, waarvan ik den naam niet eens weet."
„Ja, jullie stadskinderen!" plaagde Maarten. „Jullie ziet een merel voor een sijsje aan en...."
„Een orchidee voor een paardebloem!” lachte Chita, „Nou, maar niet alle stadskinderen zijn zoo. Titia herkent iedere plant, iedere bloem en zegt niet, o, wat een boel Venushaar staat daar, als het aspergegroen is. Weet je nog, Titia, toen we van den zomer langs dat veld liepen?”
Titia schoot in een lach.
„Ja, weet je nog? En Wim, die de bloesem van Capucijners voor lathyrus aanzag. Wat hebben we toch vaak hartelijk gelachen dezen zomer en wat is er heen en weer geplaagd en gehoond. Eigenlijk jammer, dat die prettige tijd zoo verwaterde door jouw ziek worden?”
„Jammer?" Chita’s donkere oogen keken in