225
straling naar Maarten. „Neen, Titia, geen jammer! Voor m ij tenminste niet."
„Neen, voor jou niet," lachte Titia.
„Zonder dat had je je Maarten waarschijnlijk nooit ontmoet,"
„En was ik de zelfzuchtige ijdeltuit gebleven, die ik was.”
De schemer viel al in en Maarten ontstak de hoeklampen. De groote kamer met de antieke donker-gebeitste meubelen werd van een gezellige intimiteit en door de hooge ramen, waarvan de gordijnen open bleven zag men de contouren van de al wazige duinen afsteken tegen de zacht-rood getinte lucht.
„Wat is het hier ongelooflijk mooi en rustig,” zei Titia zacht.
Haar oogen dwaalden langs het heerlijk duinlandschap en in gedachte zag ze verrijzen, tusschen die majestueuze duinen, besloten als in een beschut dal, haar Kinderhuis.
„Hier, in die ongerepte natuur, doordrenkt van de gezonde zeelucht, hier zouden mijn bleekneuzen opbloeien!”
Voor de open ramen stonden, de armen om elkaar heen, Chita en Maarten.
„Die hebben elkaar gevonden,” dacht Titia zonder de minste afgunst, „Misschien vind i k mijn ideaal ook nog eens en dan zal mijn Kinderhuis in dit heerlijk oord gebouwd worden, waar alles gezondheid en rust ademt.”
De klare, ernstige oogen bleven turen naar den