223
klein dorp, het meeleven met de bevolking, zooals hij dat deed.
„Ik zit natuurlijk weer te tobben," lachte ze zichzelf uit.
„Is het kind dan niet veel ten goede veranderd? Is ze niet bijna weer mijn kleine Corretje van vroeger?"
„En kom je nu gauw thuis?" vroeg meneer Weldam, die zijn dochter erg begon te missen.
„Dat zit nog,” zei Chita en ze keek eens naar Maarten.
„Het zal afhangen van Maarten's reis-plannen."
„Ga je weer op reis?” vroeg een en al verbazing vader Weldam.
„Nog één reis naar de Noordpool,” zei Maarten. „Ik heb dit afgesproken en voorbereid, toen ik nog niet wist dat er een Chita in mijn leven zou komen. En dan ben ik uitgereisd. Chita, dan trouwen we, en word ik een degelijk huisvader.”
„Als moeder en u het goed vinden, blijf ik dan hier tot Maarten weggaat," zei Chita, „Natuurlijk komen we telkens een poosje thuis, maar het is toch voor alle dingen beter, dat ik hier nog wat blijf. En als Maarten weg is, weet u wat ik dan ga doen?”
„Je Engelsche acte halen? Je moest dit toch doorzetten,” vond vader Weldam,
„Of course, Mr. Weldam!” lachte Chita. „Die hoop ik zeker te halen. Maar daarna heb ik nog een ander plan.”