222
plechtigheid plegen. Keurige kaartjes, en daarmee basta!”
„En een advertentie in „het Duinwijcker Orgaan", stelde Maarten vast." Tsjonge, jonge, wat zullen ze opkijken! „Nou is die d’r bai, da’s vast!” zullen ze zeggen. Wacht even, daar komt net de postbode aan, die zal het 't eerst weten, da's nog beter dan ’n advertentie, weet straks het heele dorp het.”
Maarten boog zich uit het groote raam.
„Hallo, Evert, luister eens: ik heb verkeering!”
„Moak main wat wais!” bromde Evert en hij wilde al doorloopen.
Maar Maarten trok Chita naar het raam en een arm om haar heen slaande, vroeg hij:
„Geloof je 't nou nog niet?”
„O, is 't den dieje?” lachte Evert. „Nou, dan heb Neel 't wèl bij 't recht eind 'had! dan filseteer ik je, Maarten en.... enne.... God’s zegen d'r op, jong!”
Meneer Weldam had oogen als biljartballen, maar zijn vrouw luisterde met verheerlijkt gezicht naar het gesprekje tusschen Maarten en den postbode.
Dat waren klanken die haar bekend voorkwamen. Klonk niet haar heele jeugd, het ouderlijk huis, de tuinderij, uit Maarten's klare stem, toen hij met den postbode sprak.
Haar oogen gingen van Maarten naar Chita en even was in haar hart een angst, dat haar kind zich niet geheel zou kunnen aanpassen aan de natuurlijke ongedwongenheid van Maarten, aan het leven op een