219
„Chita, kind! wat heerlijk voor jullie," zei haar moeder en in haar stem was de warme klank die Chita er zoo graag in hoorde. „Wat ben ik verlangend je Maarten te leeren kennen.”
„En ik!” stemde Titia in.
Toen kon meneer Weldam niet langer achterblijven. Hij schraapte gewichtig z’n keel, trok het donkere hoofd van z'n dochter wat dichter naar zich toe en zei:
„Moge het dan tot je geluk zijn, Chita. Maar mij is het wel wat al te modern. Vroeger ging dit anders en werd eerst toestemming gevraagd.”
„0, maar dat gebeurt nog, vadertje,” lachte Chita. „U zult eens zien, hoe deftig Maarten vanmiddag m'n hand vraagt. Als u er op gesteld is, trekt hij zelfs een jacquet aan! maar dat eischt u niet, wel? Buitendien, uw grijs costuum is ook niet plechtig! Wacht maar, tot u mijn tuindertjc ziet, dan is al uw gewichtigheid foetschie!”
„Ja, ja,” bromde hij genoegelijk en hij hoorde zichzelf al spreken over „m'n schoonzoon van Ooster-wijck”! Klonk goed! Dat kleine nest, die Chita! maar hij had ze ook een opvoeding laten geven! ze konden hem niet dankbaar genoeg zijn, die kinderen!
Maar dien middag, toen hij naast Maarten het oude, mooie huis doorliep, met ontzag bleef staan voor de familieportretten, de heele Plaats bezichtigde, toen werd hij voor de eerste maal in z'n leven klein, en voelde hij, hoe er in dien Maarten een een