220
voud en natuurlijkheid was, die maakte, dat hij zijn eigen opgeblazen grootdoenerij wel af moest leggen.
En Maarten, die even later het hooge duin achter het huis met hem beklom, en hem meetroonde naar het kraaiennest in z'n geliefde mast, had hem met weinig omhaal van woorden de toestemming tot z'n verloving met Chita gevraagd en vader Weldam was afgeweken van het gewone programma van plechtstatigheid en had Maarten even eenvoudig-weg als schoonzoon geaccepteerd. Geen wonder dus, dat Maarten hem een geschikten baas vond, waar hij het best mee zou kunnen vinden. Maar met de moeder van zijn Chita was hij direct op een zeer ver-trouwelijken voet gekomen en toen het bleek, dat ze van de tuinderij haast evenveel af wist als hij zelf, waren ze als twee verwante zielen.
In de groote zitkamer, waar alles nog was zooals de eerste van Oosterwijck het ingericht had en die somber had kunnen zijn, als niet door de hooge ramen de blonde duinenreeks zichtbaar was, werd thee gedronken en Chita moest op verzoek van Maarten, voor de eerste maal haar plichten van „Vrouwe van de Plaats" vervullen.
Er was in dit eerste samenzijn met de ouders van zijn meisje, niet de minste gedwongenheid en Titia, die eerst niet mee had willen gaan, en zich wat verlegen had gevoeld, was in minder dan geen tijd geheel op haar gemak gesteld en hielp Chita met ronddienen van de thee en de Duinwijcker moppen, die Maarten,