214
ver boven haar stond, in elk opzicht. In spanning keek Maarten haar aan. Wat speelde zich af in die lieve bol, dacht hij, waarom weifelde ze met antwoorden! Was hij te haastig geweest, te lomp?
Toen zei Chita langzaam:
„Maarten, ik wil het wel bekennen. Wie ik het meest zal missen, als ik hier weg zal zijn, ben jij!"
Zoo onstuimig greep hij haar hand en er kwam een niet te zeggen gelukkige uitdrukking in de staalblauwe oogen.
„Maar," ging Chita voort, „hoe gelukkig ik me ook voel te weten, dat ik ook iets voor jou beteeken, zelfs zooveel, dat je me waardig acht de plaats van je moeder in te nemen, is er in me zoo’n angst, dat ik niet klaar ben voor deze groote taak, en dat ik heelemaal niet de vrouw voor jou ben. 't Is nog maar zoo kort geleden, Maarten, dat ik een ijdel mallootig schepsel was, een, waar jij, Maarten, een afkeer voor gevoeld zou hebben. Zoo zie ik mezelf nog zoo vaak en als ik dan denk, dat zooiets de vrouwe van de Plaats zou moeten worden, dan lijkt het me zoo monsterlijk zelfzuchtig om ja! te zeggen, om met beide handen aan te pakken wat me niet toekomt."
Maar Maarten, z'n gezicht één gulle lach, trok haar naar zich toe.
„Laat me dat „zooiets" nog eens goed bekijken! Maarten, jongen, hoe kom je zoo gek! je moest dat „zooiets" maar rustig naar d'r stad terug laten trekken en een vrouw zoeken, die nooit zulke dwaze dingen deed als mijn Chita. Een vrouw, die je niet