212
„Is je zuster getrouwd?"
„Ja, al vier jaar, Ze woont in Wageningen. Haar man is leeraar aan de Landbouwschool. Een reuze leuk stel! Ze hebben natuurlijk een woud van een tuin achter het huis en daar komt geen tuinman in. Alles 't werk van Aagt en d'r Hans. Maar d'r nageltjes, Chita, die zijn niet half zoo mooi als de jouwe!"
„Dus die moet ik offeren als ik in de leer ga?" spotte Chita.
„Absoluut! neen maar, zonder gekheid, 't zou uitstekend voor je zijn. Voel je er iets voor?"
„Ja, zeker wel, maar ik zal hier niet zoo lang meer blijven, en dan moet ik het werk er toch weer aan geven. Ik denk, dat moeder vanmiddag wel met me zal bespreken wanneer ik naar huis terug zal moeten. Ik ben zóó flink geworden — dokter zegt het zelf — en ik geloof zeker, dat mijn na-kuur als geëindigd beschouwd kan worden."
Er was even een stilte en Chita dacht, dat Maarten het kloppen van haar hart wel moest hooren.
„Ben je blij, dat je weer gauw naar huis mag?” vroeg Maarten en er was een vreemde klank in z'n stem.
Toen zei Chita — en ze zei het eenvoudig en waar:
„Neen, Maarten, ik ben er niet blij om en toen dokter laatst zei, dat ik geheel genezen ben en er niets meer van te hooren is, dat ik nog maar zoo kort geleden longontsteking had — toen was ik er niet eens verheugd om, want ik wist, dat het betee-kende: nu kan je weer gauw naar huis toe.”