209
„Wat ga je hier dan doen?"
„Me wijden aan „m'n bedrijf" — je zult het straks zien — en ik ga de stof uitwerken, die ik in zoo ruime mate opgedaan heb op m’n reizen en.... hup! daar schiet een konijn over den weg. Zie je ’m? ontsnapt aan des jager's oog! wordt je niet te moe? en kun je m’n lange stelten bijhouden? Volgenden keer nog lagere hakjes onder je schoenen. Ik ga je trainen, Chita! iederen dag een eindje verder. Ik zal een stevige meid van je maken, geen steedsche bleekneus. We zijn er bijna, dit laantje in, nou, daar zijn we erj"
Ze liepen langs een enorme haag en Maarten deed een groot wit hek open waar in zwarte letters „Duinwijck” op geschilderd was.
Chita zag een heelen grooten tuin, waarin vele groote broeikassen. Midden in den tuin, omgeven door groen en bloemen stond een aardig huis,
„Hier wonen Nelis en z'n vrouw," lichtte Maarten toe. „En er is een ruime kamer voor mij, waar ik rustig kan werken en rommel maken en overnachten. Straks gaan we er een kopje koffie drinken. Hallo Nelis! ik heb hier een dame bij me, die onzen tuin komt bekijken en graag een bakkie troost wil hebben.”
„Kan gebeuren, m’neer Maarten,” de tuinbaas, een stoere kerel lichtte de pet en een ondeelbaar oogen-blik bleven z’n oogen rusten op Chita.
„Zoo zoo!” dacht ie, „de baas met een jongedame. Dat is me nog nooit overkomme. En hij hep vast geen slechte smaak ook.”
Wending, 14