206
als er eens wat meer menschen te voeden waren, dan het dagelijksch aantal. Na het ontbijt liep Chita het dorp in, om bloemen te verzorgen voor haar kamer.
„Ik moest Maarten een telefoontje geven,” dacht ze, „en hem vragen of we vanmiddag bij hem mogen komen. Ik beloofde toch dat ik hem met moeder zou bezoeken en ik ben zóó benieuwd wat moeder van hem zeggen zal, en hij van moeder.”
Maar de moeite werd baar bespaard, want toen ze langs het postkantoor liep hoorde ze Maarten's kreet, waarmee hij zich altijd bij dokter annonceerde en zag ze hem juist van de toonbank springen, waar hij in druk gesprek was geweest met den brievengaarder.
„Wat ben jij matineus vandaag," lachte hij, terwijl hij naast haar kwam loopen.
„Ik krijg bezoek en nu ga ik bloemen halen om mijn kamer een feestelijk aanzien te geven. Moeder komt met een erge lieve kennis. De zuster van.... den Pinguïn!"
Hij dacht even na.
„O, ja, de geslobkousde Pinguin! Is die zuster ook zoo’n hyper-modern wezen?"
„Die zuster?” zei Chita langzaam en het schoot als een bliksemschicht door haar brein, dat Titia een waardige vrouwe van de Plaats zou kunnen zijn, en dit gaf haar even een gevoelig steekje. Maar ze zei eerlijk: „Titia is een van de beste meisjes die ik ken. Ze heeft zóó'n fijne ziel en o, Maarten toen ik zoo ziek was, heeft ze me samen met moeder opgepast, en hoe ze het deed? Ik heb veel aan haar te danken,