197
maar niets was in staat het enthousiasme van het publiek te dooven.
De burgervader en de doktersfamilie hadden benauwde oogenblikken en vooral Chita, die zooiets voor de eerste maal meemaakte had af en toe moeite om niet in lachen uit te barsten.
Koos porde haar onophoudelijk in d'r rug, als ze op het punt stond een lachbui te krijgen,
„Je mot maar aan iets naars denk'n," riep ze, waarop Chita, bij het idee, dat ze, voor d’r genoegen uit zijnde, aan iets naars moest denken, het opnieuw te kwaad kreeg.
De clou van de voorstelling was het Fransche liedje van Marijtje.
„Je hoort d'r tand’n klapp'ren!" zei Koos, toen Marijtje met doodsbleek gezichtje voor het voetlicht verscheen.
Gelukkig kreeg ze Chita in het vizier, die haar bemoedigend toeknikte en wiens mond de eerste woorden van het liedje vormde. Dit maakte dat Marijtje over de ergste plankenkoorts heen kwam en ze frank en vrij haar liedje durfde te kweelen.
Een storm van bijval loeide door de zaal en uitroepen als: harrejennig nog an toe! krimmene ziele! maakten verder spelen voor eenige oogenblikken onmogelijk. Dit „open doekje" verraste Marijtje bovenmatig en ze bleef een moment stokstijf staan, schoon Bargers van de coulissen uit brulde, dat ze „af" moest.
Maar het publiek wilde het liedje nog eens hooren