198
en er gingen luide kreten op van: „toe moar, Marijtje, doen 't nog es over."
Waarop Bargers, genadiglijk beval, dat ze het dan maar „overnuut" most zingen.
En Marijtje „groos", smeet haar schlager andermaal maar nu met luider stem over het voetlicht en overmoedig geworden door het succes, riep ze van het tooneel af:
„En nou allemoal! fruit mense: perruque blonde, pour tout le monde
Bargers was ziedend en liep als een getergde leeuw achter het tooneel heen en weer.
„Die dekselsche meid toch! alle stemming was d’r uit! me kenne wel zakke late!" Maar in de zaal was de stemming er gansch niet uit en de dorpelingen, die allen het wijsje wel kenden, zongen Marijtje de klanken die ze op vingen na:
„Verruukte blo-on-on-de, voer voor de ho-on-on-on-de...."
Chita was een flauwte nabij van het lachen en Koos lag amechtig tegen mevrouw Dokter aan.
„Hoe zullen ze de menschen weer kalm krijgen?" fluisterde vermaakt de burgervader den dokter in. Maarten, die eerst van harte meegezongen had, zag nu ook het hachelijke van den toestand in en toen het refrein voor de derde maal herhaald was en het zingen in blèren oversloeg, stond hij op en riep: „Stop menschen! nou gaat de voorstelling weer door," En toen een paar overmoedig geworden jongens opnieuw begonnen, riep hij: